Nadat vriend J me getipt had dat als ik naar Bali zou gaan, ik goeroe Ketut Arsana moest ontmoeten, ging ik me oriënteren op de mogelijkheden. Acht dagen in zijn ashram; dat zag ik wel zitten. Tijd voor meditatie, mijn verdere yogastudie en natuurlijk het ashramleven: wc’s schoonmaken (om karmapunten te verdienen), ceremonies in de tempel, et cetera. Ik ben de enige inwonende student en krijg als karmaklusje het rapen van bladeren toebedeeld. Een mooie gelegenheid om te ervaren dat dingen vaak anders zijn dan ik denk. Het lijkt namelijk een eenvoudig klusje: bladeren bij elkaar vegen en in een grote rode ton doen.

De ashram bestaat uit een stuk of zes gebouwen in een zeer boomrijke omgeving. Als het regent (en dat doet het elke dag, soms komt het uren achtereen met bakken uit de hemel), gutst het water via de diverse afwateringskanalen langs de aarde. Het is modderig dus de bladeren gaan niet altijd vrijwillig mee met mijn veger en blik. En na een uurtje vegen, zie ik de ton wel voller worden, maar het lijkt net alsof er nog evenveel bladeren op de grond liggen. Niet echt bevredigend dus. Langzaam merk ik dat het terrein veel groter blijkt dan het leek, nu ik elke vierkante meter wil bezoeken. Als ik enigszins tevreden ben met het resultaat, brei ik er voor vandaag een eind aan. De dag erna maak ik de slaapruimte en badkamer schoon. Als ik de dag daarop besluit om weer bladeren te rapen, zie ik dat het allemaal voor niks was: er liggen nog meer bladeren dan toen ik eergisteren begon met vegen. Aha, dat maakt deze klus dus zo geschikt voor mij! Het gaat niet om het resultaat maar om de actie. Het is onvermijdelijk: die bladeren moeten geraapt worden, maar ik moet vooral loslaten wat het resultaat is.

Na een dag of twee in de ashram, weet ik waarom ik hier ben: om me te vervelen. Als kind zong ik hard mee met “spitter, spatter, spetter, omdat je niks bedenken kan, verveel je je te pletter”, maar volgens mij verveelde ik me nooit. Op die regenachtige zondagmiddag maakte ik een hut onder tafel of bouwde ik een kar van het onderstel van een oude kinderwagen en een kistje. En ook in de levensfasen die volgden, heb ik me nooit verveeld. Veel te veel interesses en vrienden om leuke dingen mee te doen. Maar nu leer ik het. Ik wandel door de rijstvelden, maak muziek en lees. Het voornemen me helemaal in de yogastudie te storten en veel te schrijven, maak ik niet waar. Daar heb ik namelijk geen zin in. Als ik om halfzes wakker word van de eerste haan, denk ik niet meteen: eruit, actie! Maar eerder ‘ah, weer zo’n dag met alleen yoga op het programma’. Ik begin de dag met mediteren in het tempelcomplex en ontbijt in het cafeetje waar de ashram mee samenwerkt. Als het droog is, probeer ik het vocht uit mijn kleding en schoenen te krijgen en verder maak ik volop gebruik van mijn hangmat. Heerlijk overzichtelijk.

Als mijn laatste ashramdag erop zit, realiseer ik me hoe verschillend Balinezen en westerlingen ‘de yoga’ beleven en beoefenen. In de yogales, waar de verhouding Balinezen-westerlingen fiftyfifty is, doen we zowel asana’s (houdingen) als pranayama’s (ademhalingsoefeningen). Waar in het Westen yoga vaak gedefinieerd kan worden als ‘oefeningen op een matje’, lijken die oefeningen hier van ondergeschikt belang. Soms denk ik tijdens de les ‘ze doen maar wat en de docent (studenten van de goeroe) laat het gebeuren!’ Het belangrijkste onderdeel van de yoga hier zijn echter de spirituele oefeningen. Elke avond is er activiteit in het tempelcomplex: mensen in witte sarongs en op blote voeten zingen, dansen en chanten mantra’s. En op nummer twee staat karmayoga: je belangeloos inzetten voor de wereld. Door hele dagen bezig te zijn met een veger en blik en een grote rode ton.

Laat een waardering achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.